In de zomer(vakantie) van 1991, net 32 jaar - ja, wel een beetje raar – stond ik te trillen op mijn benen: ik werd halsoverkop verliefd op de Turkse jongen (net 20 lentes jong) die mijn koffer naar mijn kamer bracht. Het was wederzijds. De onstuimige vakantieflirt werd serieus en nauwelijks 2 maanden later werden wij in mijn toenmalige woonplaats Capelle aan den IJssel, in de echt verbonden. ‘Eigen import’ noemde ik mijn Turkse adonis trots.
Het was een goed huwelijk en na 4 jaar werd onze zoon Deniz, vernoemd naar de zee (in het Turks: deniz) waarin ik pootje badend stond toen ik voor het eerst mee uit werd gevraagd, geboren.
Ik sprak inmiddels vloeiend Turks, zodat ik los van de Turkse koetjes (inekler)en kalfjes (danalar) ook het nieuws, op TV en in de kranten, goed kon volgen en op bestemming ook politiek getinte gesprekken met vrienden en familie kon aangaan. Hoe meer ik ieder jaar weer van het land en de wijze waarop de Turken leefden te weten kwam, hoe meer de gezamenlijke droom van manlief en mij, rond het jaar dat Deniz naar het primair onderwijs zou gaan voor goed te verhuizen naar Turkije en daar samen oud te worden - hij iets minder snel dan ik - in het gedrang kwam.
Als jongste dochter uit een links nest, pleeg ik mijn mening te pas en te onpas te uiten en de vrijheid daartoe bevalt me tot op de dag vandaag uitstekend. Mijn echtgenoot kon zich wel eens irriteren aan die ongeremde uitgesprokenheid, vooral als het in zijn geboorteland plaatsvond.
Zoals die halfbejaarde generaal die in zijn grote Amerikaanse slee compleet met militaire escorte naast ons stond op de veerpont van Izmit naar Istanbul en op de achterbank een – overduidelijk minderjarige – schoonheid zat te zoenen. Ik sprak de man – in het Turks - aan op zijn wangedrag en vroeg me hardop af of moeder-de-vrouw hiervan wel op de hoogte zou zijn. Ik werd, vanwege mijn nationaliteit, niet gearresteerd, al werd mijn echtgenoot wel te verstaan gegeven dat hij me in het vervolg harder – desnoods met stoel of tafel – moest slaan om mijn grote mond te snoeren. Hij deed dat overigens niet.
Ik las boeken in het Turks (o.a. de Duivelsverzen van Rushdie op het strand van Marmaris, oké ik dreef het af en toe ook wel op de spits) en steeds vaker waren tijdens vakanties in Turkije discussies, verguizing, zo niet hoon en agressie mijn deel. Meerdere malen werd ik door de politie aangesproken om toch vooral eens mijn grote mond te houden of anders … en thuis werd het daarom ook niet gezelliger. Logisch eigenlijk, zeg ik achteraf.
Deniz was 2 jaar oud toen ik definitief de stekker uit onze droom trok. Ik zou nooit en te nimmer willen wonen in een land waarin vrijheid van meningsuiting en persvrijheid niet bestonden. Een discussie was niet meer mogelijk, ‘want’, zo stelde ik pertinent – ik weet het nog zo goed – ‘ik moet er toch niet aan denken dat zoonlief journalist wordt en dan op grond van zijn linkse denkbeelden ‘zo maar’ voor altijd verdwijnt of met geëlektrocuteerde geslachtsdelen in een ravijn bij Van zou wordt teruggevonden’.
Feitelijk was dit het moment dat mijn echtgenoot besloot mijn ex-echtgenoot te worden, wegens verlies van gezamenlijk doel, al lieten we allebei – tegen beter weten in - het huwelijk nog 4 jaar duren.
Deniz wilde tot zijn 11e , net als zo veel andere jongens, piloot worden en had geen weet van deze discussie.
Hoe het dan toch kan lopen: de afgelopen 4 jaar heeft hij zich als blogger en fotograaf ontpopt tot 15e jarige journalist-in-de-dop. Een ‘geboren journalist’ dichtte onze twitterende buurman hem op 8 april, hem toe.
Vandaag, op de Internationale dag van de Persvrijheid, ben ik nog steeds blij met mijn beslissing in 1997 om niet permanent te willen wonen in Turkije en daarmee het toekomstperspectief van Deniz en stuk transparanter, eerlijker en veiliger te laten zijn.
Maar het mooist zou het natuurlijk zijn als journalisten in elk land ter wereld die veiligheid zou kunnen ervaren en het kaartje bovenin helemaal groen zou zijn.
Laatste reacties