Peter R. de Vries, jullie kennen mijn gevoelens jegens deze narcist – om maar meteen de teerling te werpen – heeft het weer voor elkaar: vanavond zal het aantal kijkers naar zijn programma weer alle kijkcijfers overstijgen, want hij heeft met verborgen camera vastgesteld dat medewerkers van de politie, die de verkeerswetgeving handhaven, zelf deze regels overtreden. Tja, niets menselijks is hen vreemd, al zou je het omgekeerde vermoeden. Toch had ik zelf jaren geleden al een akkefietje van gelijke strekking, luister …
We schrijven 1993, ik ben ondernemer en de zaken gaan zo goed dat er een auto in een hogere klasse wordt aangeschaft, die het oude barrel waarmee we zijn gestart vervangt. Het dan als muisstil in de markt gezette Mazdamodel 626 – met elektrisch bediende ramen, toen nog geen usance – wordt aangeschaft en in de eerste 2 weken rijd ik een kleine 500 gulden aan boetes wegens snelheidsovertredingen bij elkaar. De Mazda is namelijk zo muisstil dat ik me niet gewaar ben van snelheden die tot 180 km/u reiken, daar waar het oude barrel mij allang het sein zou hebben gegeven het volume van de autoradio vooral op te schroeven wegens gerammel en geruis. Balend van de kapitaalvernietiging neem ik me voor om nooit en te nimmer meer te snel te rijden, totdat …
Ik de volgende morgen al de A12 bij Gouda oprijd en constateer dat over 3 banen het vrachtverkeer elkaar nauwelijks inhalend mij in feite de doorgang met de toegestane snelheid van 120 km/u belet. Op het korte stukje vierde baan, besluit ik gas te geven – nog één keer dan, bij uitzondering – tot 140 km/uur om zo de brede colonne te omzeilen om vervolgens braaf de A12 te kunnen vervolgen. Al doende echter, zie ik in mijn achteruitkijkspiegel slechts één koplamp met een noodgang mij tegemoet komen. Ik besef dat ik de zoveelste vooroordeelonderschrijvende dame ben, die weliswaar aan het inhalen is, maar op de meest linkerbaan met veel te weinig snelheid om de echte mannen in het verkeer ruim baan te geven en geef dus nog even tikkie gas bij, tot 160 km/u om zo kort mogelijk de motorrijder te hinderen.
Als ik eenmaal ingesorteerd ben naar de meest rechter rijstrook, blijkt – je raadt het al – dat het geen stoere leatherboy op de motor betreft, maar een medewerker van de rijkspolitie … Hij seint met zijn rechterarm dat ik naar de vluchtstrook met uitvoegen. Ik heb zwáár de pest in; er wacht me immers toch weer een boete!
Op de vluchtstrook open ik (voor het eerst van mijn leven) met een subtiele druk op een knopje het raam in het portier, een vlaag van rijkdom en macht lijkt daardoor bezit van me te nemen. De agent , die zijn helm heeft afgenomen, buigt – de helm onder zijn rechterarm gevat – naar het raampje en opent het gesprek met: ‘goedemorgen mevrouwtje’. Nu neemt een vlaag van ongetemde feministisch strijdgewoel bezit van me en ik reageer even badinerend met: ‘goedemorgen agentje’.
Zijn ogen knipperen en dat is het sein waarop ik de rode lap zie, in een stier verander en de verbale aanval inzet. Met mijn arm over het raampje hangend vertel ik hem het volgende:
‘U kwam met minimaal 160 km/u aanrijden, zónder het voeren van geluidsignalen en/of zwaailichten. Dit is een zware overtreding, waar ik – voor deze ene keer – geen werk van zal maken, maar ik waarschuw u: maak hier geen gewoonte van’, vervolgens laat ik – met weer een subtiele druk op de knop - elektrisch mijn raampje sluiten, zet de Mazda in de eerste versnelling en trek op, de vluchtstrook verlatend. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik de perplexe motoragent mij nakijken. Eén is ding zeker: als hij vanavond thuis komt, heeft zijn vrouw géén gezellige avond. Ik heb er nooit meer iets van gehoord, dus in alle consternatie is hij daadwerkelijk vergeten mijn kenteken te noteren.