Rotterdam, 1974, mijn examenjaar op de MAVO. Al vanaf de eerste schooldag, vier jaar eerder, ben ik hopeloos verliefd op de ‘hunk’ van de klas, net als alle andere meisjes. Zij hebben allemaal al verkering met hem gehad, Ik niet. Zijn vader is de ‘bladenman’, die elke week de Tina en de Margriet bij ons thuis bezorgd. Ik help hem vaak met zijn huiswerk, in de kelder van zijn ouderlijk huis, maar als potentiële liefde ziet hij me niet.
Als de Kerstdisco dichterbij komt, groeit mijn besef dat de kans op verkering, voordat we allemaal uitwaaieren naar andere scholen of baantjes, steeds kleiner wordt. Mijn moeder, op de hoogte van deze onbeantwoorde liefde, verrast me met een prachtige outfit; een gesmokt paars truitje, waardoor mijn ontluikende cup A bijzonder voordelig wordt geëtaleerd. Vol herwonnen zelfvertrouwen betreed ik de aula, waar de Kerstdisco wordt gehouden, maar de ‘hunk’ in kwestie gunt me geen blik waardig.
Totdat de ruigere hits worden ingeruild voor Cockney Rebel’s Sebastian. Doelbewust komt hij op me af en vraagt me ten dans. ‘Slijpen’ noemden we dat in die tijd. In mijn zenuwen zing ik luidkeels en beslist in de verkeerde toonsoort, het hele nummer vlakbij zijn oor mee. Na “Dance on my heart, laugh swoop and dart, la-di-di-daaaa”, maant de liefde van mijn leven me tot stilte. In de stilte die volgt spreekt hij de vraag uit waar ik al 4 jaar op wacht: Wil je verkering met mij? Er zijn na dit nummer beslist nog meer nummers gedraaid, maar de Kerstdisco stopt in mijn herinnering bij Sebastian.
Natuurlijk brengt mijn kersverse verkering me naar huis. Tussen de school en mijn ouderlijk huis, een korte wandeling van hooguit 10 minuten, passeren we een oliebollenkraam. Hij koopt 2 oliebollen en ik ben in de zevende hemel beland, maar ook zo onzeker, dat ik aan één stuk door doorratel over van alles en nog wat.
Eenmaal bij mijn huisdeur aangekomen resulteert dit geklets in het feit dat hij zijn oliebol allang op heeft en ik er nog geen hap van genomen heb. Wel opgevoed als ik ben, besef ik dat dit heel onfatsoenlijk is. Hij heeft er ten slotte zijn zakgeld aan uit gegeven. Ik neem dus een flinke hap, juist op het moment dat hij – zo is mij pas seconden later duidelijk – een zoen wil geven. De poedersuiker zit, door de veel te enthousiast genomen hap, tot onder mijn wimpers en het moet beslist geen aantrekkelijk gezicht zijn geweest. Mijn grote liefde doet dan ook een flinke stap achteruit en zegt: “Nou, je hebt je mond vol, dus zoenen doe ik je niet. Ik zie je na de Kerstvakantie wel weer op school.”, om vervolgens met rasse schreden de straat uit te lopen.
Met de halve oliebol nog in mijn hand, en een restant van de hap nog in mijn mond, loop ik de inmiddels geopende voordeur in om in de armen van mijn moeder in snikken uit te barsten. Met de verkering is het nooit meer goed gekomen….
Elk jaar, als het AD de betreffende oliebollenkraam weer als (op één na) beste oliebollenkraam van Nederland uitroept en ‘Sebastian’ tijdens de TOP 2000 uit mijn luidspeakers schalt, dan kan ik niet anders dan denken aan deze anekdote.
Hij was mijn inspiratiebron. Een woordkunstenaar, die mij al in mijn puberjaren inspireerde tot diepzinnige gedichten. Hij was mijn toetssteen, een levenskunstenaar, die al ver voordat het een hype werd en er in zelfhulpboeken over werd geschreven, de kunst van het in het ‘nu’ leven beheerste, nog steeds volgens mij. Toen in 2005 de eerste beelden van zijn rentree op de bühne werden uitgezonden, raakte mij dat. Ik was ontroerd en pijnlijk bewust van het gemis tijdens zijn jaren van stilte. Ramses Shaffy was mijn held, mijn legende. Of zoals Beau van Erven Dorens het deze week in de Vara-gids schrijft: “Zijn portretten sieren mijn wanden, Laat me was mijn ringtone, Ramses mijn password en We zullen doorgaan mijn devies”.
Omringd door vage vrienden in een bekende kroeg, zag ik hem vanavond live. Perfect begeleid door Gerard Alderliefste en zijn band, zong hij maar 2 nummers: Laat me en Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder en gelijk had hij. Dat je – als je je ogen dicht deed – je door zijn stem, nog zo zuiver, zo overtuigend – terug waande in de jaren 70 was niet aan het publiek besteed. Hij liet de Shaffy Cantate, Sammy en de Pastorale over aan Alderliefste.
Nu Shaffy zo dichtbij was, kón ik het niet laten. Bij het verlaten van het etablissement sprak ik hem aan met de woorden: "Mijnheer Shaffy, u bent mijn held, mijn legende, mag ik u de hand reiken?" Hij omhelsde me en kuste drie keer mijn wang. Noem me puberaal, maar ik was - nee, dat ben ik nog steeds - verrukt!
De geestige verfilmingen met Gérard Depardieu in de hoofdrol ten spijt, kom ik weinig mensen tegen – en al helemaal geen jongeren – die liefhebber zijn van Astrix en Obelix. Ik verslond de boeken in mijn jonge jaren en kan me er nog steeds op een regenachtige zondag enorm mee amuseren.
Mijn favoriet is beslist Astrix en Obelix en de Britten.
De geestige vertalingen in de dialogen – want als je me nou ergens om 4 uur ‘s nacht voor wakker kan maken – dan zijn het spitsvondige dialogen, waarmee de ridicule manier van spreken der Britten op onnavolgbare wijze wordt blootgelegd is subliem, is het niet?
De meest koddige direct uit het Engels vertaalde uitdrukking is en blijft toch wel: Ik vraag uw pardon.
Sinds het 8 uur journaal van 4 december blijven die vier woorden: Ik vraag uw pardon als een glimlach genererende mantra steeds in mijn gedachten. De aanleiding is het nieuws over een asielzoekster, die sinds het uitvoeren van de pardonregeling een legale status heeft verworven en nu baan heeft als tandartsassistente. Dat viel niet mee, niet voor haar, maar ook voor vele anderen ‘gepardonneerden’.
Het woord is zo nieuw, dat Bill Gates er ‘as I type’ maar een rood golfje onder plaatst. Net als onder zijn eigen naam trouwens, maar dat is een ander verhaal.
Ik huldig absoluut geen Wilderiaans standpunt, au contraire zelfs, en Verdonkeriaans is voor mij als vloeken in de kerk. Toch is een dergelijk nieuwsbericht koren op de molen van deze populisten én hun nog onnozelere aanhangers. Stel je voor: politiek links maakt een vuist al voor de formatie van dit huidige kabinet vóór een generaal pardon en krijgt het voor elkaar. Deze illegaal in Nederland verblijvende mensen of nog niet uitgeprocedeerde asielzoekers verdienen een legale status, want zo luidde het betoog toch: men is geïntegreerd, door hun jarenlang verblijf spreekt men Nederlands. Zij functioneren al in de maatschappij door middel van – illegaal wellicht, maar toch – het hebben van werk, hun kinderen zijn hier geboren.
Nu wordt in het nieuws verkondigd dat het vinden van een baan, juist voor de groep ‘gepardonneerden’ niet mee valt, wegens taalachterstand en gebrek maatschappelijke ervaring! Wie blaast wat nu op?, vraag ik me dan meteen af. Een mooi onderwerp voor Felix Meurders’ programma ‘De leugen regeert’, lijkt me. Want menig populistontvankelijke medeburger eist nu – door dit gechargeerde bericht, zijn gelijk en een nieuw vooroordeel, gepardonneerden werken niet, is geboren.
Gelukkig blijft het niet alleen bij een nieuw vooroordeel. Ook de Nederlandse taal is een werkwoord en een daarvan afgeleid zelfstandig naamwoord rijker. Nieuwe zinnen larderen een hedendaags dictee:
De gepardonneerde solliciteerde naar een baan als tandarts assistente.
Wij pardonneerden duizenden illegale inwoners van Nederland.
Daarmee vormt de groep gepardonneerden een nieuwe minderheid in ons land.
Ik leef, want ik pardonneer….
hoe dan ook het doet mij denken aan ‘Ik vraag uw pardon’, en ik glimlach.
Het is weer december…. Elk jaar weer is dit de tijd van het jaar, waarop ik me het meest bewust ben van mijn status als single. Niet dat ik al jaren relatieloos ben, maar in de jaren dat ik wel tot het leger van ‘stelletjes’ behoorde, was ik toch ook tijdens de kerstdagen óf alleen óf eenzaam.
Maar goed nu ben ik toch al weer anderhalf jaar single en net als vorig jaar december ben ik me dat dus nu meer bewust dan in de overige maanden van het jaar. Dat komt door reclame-uitingen die in deze tijd van het jaar qua sfeerbeeld zijn aangepast. Geen campagnebeeld verschijnt in de media, of het nu over bonbons of shampoo (!) gaat, zonder de warmte van een innig verliefde man en vrouw en hun relatie is absoluut harmonieus te noemen. Formats van TV-programma’s doen daar nog een schepje bovenop, met pay-offs als: want niemand mag met kerst alleen zijn.
Natuurlijk biedt het normale leven een genuanceerder beeld. Zo wist 6 jaar geleden mijn enorm geestige echtscheidingsadvocaat te vertellen, dat juist eind november/begin december de instroom van nieuwe echtscheidingen in zijn praktijk een absoluut hoogtepunt bereikte. Het waren vooral vrouwen die zich dan tot hem richtten, omdat zij het niet nóg een keer konden opbrengen om tijdens de feestdagen het toneelstuk van ‘gelukkig getrouwd echtpaar’ op te voeren. Overigens had deze onvergetelijke raadsman nog een moment van verhoogde instroom: in mei van elk jaar. Dan waren het vooral de heren die een scheiding in gang zetten. 'Die willen op het strand ook wel weer eens met een mooie vrouw paraderen', voegde hij er gniffelend op een onmiskenbaar nichterig toontje aan toe.
Een van mijn dierbaren, nog jong en eigenlijk pas voor het eerst verwikkeld in een serieuze relatie, kijkt de laatste tijd niet meer zo vrolijk. Desgevraagd barst een kanonnade van teleurstellingen over het hebben van een relatie los. Je hoeft geen relatietherapeut te zijn om te kunnen concluderen dat de spreekwoordelijke roze wolk om haar hoofd is verdwenen.
Ik meende, als ervaringskundige, troostende woorden te moeten spreken: “In geen enkele relatie is het alle dagen feest. Sterker: relationele feestdagen zijn net als de kalenderfeestdagen op één hand te tellen”.
Ben ik dan van mening dat het leven van een single wél alle dagen feest is? Nee hoor, alhoewel ik het prima naar mijn zin heb, zal ik de laatste zijn die zal ontkennen dat het samen met een partner toch leuker is. Nu moet ik me alleen nog door die partner laten vinden ….
“Heb jij al een storing geconstateerd op jouw analyzer?” De stem was duidelijk verstaanbaar ondanks het gebruikte vakjargon, waar ze niks van begreep. Ze stond hier nu al een tijdje, eerst nog met het licht aan, maar dat was zojuist gedoofd. Wat restte was de masculiene stem die via de intercom hoorbaar was. Hij sprak niet tegen haar, dat was duidelijk.
Ze was die ochtend, zoals elke werkdag, goedgemutst in de lift gestapt. Ze woonde nu al 4 jaar, samen met haar zoon, in het eenvoudige appartement op de 18e verdieping van een woontoren aan de Maas.
Het appartement was klein, maar het uitzicht adembenemend, waardoor ze de weinige vierkante meters die hun tot beschikking stonden op de koop toe nam.
De dagelijkse gang naar beneden, welke met 5 minuten marge zich best liet vergelijken met een reis in een intercity of in een stoptrein, gold als een prelude voor de file die haar vanaf het verlaten van de wijk, richting het centrum van de stad, op haar wachtte.
Maar die dagelijkse gang was nu abrupt onderbroken door het falen der techniek. Halverwege de 16e en 15e verdieping was de lift tot stilstand gekomen. Er waren de laatste tijd wel vaker storingen, dus verbazen deed het haar niet. Ze drukte de meldingsknop voor storingen in, hetgeen een oorverdovende zoemtoon tot gevolg had. Na enkele seconden ontstond de verbinding met de meldkamer. Een sonore mannenstem meldde haar dat op afstand getracht werd de storing op te lossen. De liftmonteur zou er immers veel te lang overdoen, omdat ook hij de files diende te trotseren.
Geduldig wachtte ze op wat zou gaan gebeuren, maar toen na dik 5 minuten geen verbetering in de situatie kwam en vanaf diverse verdiepingen buren vragen over haar welbevinden begonnen stellen, drukte ze nogmaals op de noodknop.
Het probleem was niet gemakkelijk oplosbaar. De stem via de intercom, die ze steeds meer ging appreciëren, zocht contact met collega’s. Metingen op afstand werden verricht. Overleg over de uitkomsten gevoerd.
Nu ze zo alleen en uit haar ochtendhectiek gerukt letterlijk en figuurlijk tot stilstand was gekomen, kreeg reflectie de ruimte. Ze dacht na over haar leven. Ze was wel content met haar baan, waarin ze zichzelf kon zijn en een salaris verdiende, waarmee ze prima in haar levensonderhoud en dat van haar zoon kon voorzien. Ze had geen zorgen ook over haar puberende zoon, die het thuis en op school goed deed en in blakende gezondheid verkeerde. Veel en leuke vrienden ook, waarmee ze het gezellig kon maken, veel kon lachen en waar ze altijd terecht kon, hetgeen ook gold voor haar enige familie: een zus en volwassen nicht. Ze nam actief deel aan het culturele leven, maakte leuke reizen en kon zich prima amuseren als ze alleen was. Geen enkele reden tot klagen eigenlijk, alhoewel ze – nu ze de ruimte kreeg om er over na te denken – liever ook een man in haar leven had gehad.
Iemand om bij wakker te worden en bij wie ze, na het uitwisselen van slechts één blik, het gevoel te hebben dat het allemaal wel goed kwam die dag. Iemand die af en toe eens de scepter, die ze nu al zo lang ze zich kon herinneren zelf droeg, van haar over nam, zodat het gevoel van noodzaak wat zou afnemen. Iemand die van haar onvoorwaardelijk hield, een maatje zou zijn ……..
De technici delibereerden verder over de oplossing van het probleem.
Nu het licht in de lift was gedoofd sloeg haar fantasie op hol. De mannelijke stem die haar vanmorgen als eerste had aangesproken, intrigeerde haar. Ze stelde zich er een man bij voor die groter zou zijn dan zij. Iets jonger dan zij, kaal, maar aan zijn wenkbrauwen kon je zien dat hij donkerblond haar had gehad. Indringende, olijk kijkende ogen, donker ook. Hij was lichtelijk corpulent, waardoor in zijn armen de ultieme plek om tot rust te komen ontstond. Hij was mans genoeg en kon háár aan op een natuurlijke manier. Ze was trots op hem, zou bij hem blijven tot …….
Plotseling schokte de lift, viel enkele centimeters naar beneden – een raar gevoel in haar buik losmakend – en kwam vervolgens tot stilstand. Direct daarna ging het licht aan opende de deuren zich op de 15e etage. Buren, meer dan normaal door het ontstane oponthoud, stapten in. Zo ging het op andere verdiepingen ook. Men vroeg of alles goed met haar was – hetgeen ze beaamde - en keek vervolgens voor zich uit. Ze zuchtte diep toen de liftdeuren zich op de begane grond openden en liep, zoals elke dag goedgemutst, vanuit de hal haar auto tegemoet.
Wilma van Raamsdonk: Een schrijvende reiziger, een reizende schrijver, maar nu nog even niet ...
Laatste reacties