Lang had hij er niet over nagedacht. Al op de basisschool fascineerde het vak hem al, dat van patholoog anatoom. Anders dan vele van zijn klasgenoten had hij nooit behoefte gehad aan een nachtlampje, een geruststellende moeder die avond na avond verzekerde dat er geen geesten of monsters onder zijn bed huisden en horrorfilms waren zijn enige vorm van entertainment tijdens zijn vroege puberjaren. Later, zo rond zijn 16e boeide hem dat genre in het geheel niet meer, maar werd hij ook geheel opgeslokt door zijn bijna onbevredigbare honger naar informatie, achtergronden, onderzoeksgegevens en inzichten van wie dan ook binnen het vakgebied.
Hij had geen positieve herinneringen aan zijn jeugd en zijn studietijd door de obligate interactie met zijn medeklasgenoten. Alleen het gegeven dat hij zijn kennis verrijkte gaf hem de kracht om de dagelijkse confrontatie – zij het volstrekt non-verbaal – aan te kunnen.
Na zijn studie, die hij uiteraard cum laude afsloot, kon hij direct aan de slag bij het meest vooraanstaande medische centrum van het land. Zijn collega’s, die hij met een door de jaren heen opgebouwde routine, dagelijks ontweek, waren onder de indruk van zijn vakmanschap, maar gruwelden van zijn – avant la lettre – asociale opstelling.
Totdat zij het laboratorium betrad. Haar ingetogen houding was onontkoombaar. Haar ontwijkende blik herkenbaar en haar melkwitte, duidelijk minimaal aan daglicht blootgestelde, huid wees, samen met haar deugdelijke en beslist jaren geleden gekochte bril met glazen op behoorlijke sterkte, dat ook zij liever niet in gezelschap van anderen verbleef.
Ze had een gelinieerd kladblokje in haar hand en een BIC-balpen, zo een waar je door de huls heen kijkend kon zien hoeveel inkt er nog in de pen aanwezig was, in haar hand.
Duidelijk uit haar doen, vroeg ze, strak kijkend naar haar bruine mocassins, die menig trendwatcher zouden verbazen of zij ook voor hem iets van de naburig gelegen snackbar kon meenemen.
Ze was gisteren in het mortuarium komen werken en in plaats van zich zelf meteen te verliezen in het openen van de gekoelde lichamen, het concluderen van doodsoorzaken, of op zijn minst de lichamen te bergen in de gekoelde cellen, was zij nu de aangewezen persoon om allerlei onbenullige klusjes op te knappen. Als introverte nieuwkomer, werd ze in de maling genomen dat wist ze, zeker toen men haar de opdracht gaf om ook aan de minst spraakzame patholoog anatoom van het team te vragen of hij iets wilde snacken.
Hij was, tot zijn eigen grote verbazing, totaal van zijn stuk gebracht. Eerst door het feit dat iemand, wie dan ook, zijn onuitgesproken dialoog met een gekoelde overledene, verstoorde. Toen door haar verschijning, zo herkenbaar, zo ‘eigen’. En zeker door haar lichaamstaal. Langzaam liet hij de gekoelde, door een enorme tumor aangevreten lever, die hij juist uit het lichaam had weggesneden los, legde het op een daarvoor speciaal geprepareerde weegschaal en zei, zonder zijn blik van het lijk af te wenden: “Doe maar een broodje warm vlees”.
Geplaatst door: |