"Jacoba is best een mooie naam voor een boot”, zei ze, terwijl ze haar man behoedzaam langs door boomwortels deels ongelijk getrokken straattegels loodste. Hij keek naar de woonboten die aan de kade lagen. Ze lagen daar nooit, maar omdat de pittoreske kade verderop totaal werd gerenoveerd, lagen de historische woonarken nu aan de doorgaans saaie en lege binnenstadshaven.
Ze wilde al de hele tijd wat zeggen, maar het ontbrak haar aan een onderwerp. Nu ze de naam Jacoba op een met bruin vergaan dekzeil overdekte woonboot zag staan, greep ze dankbaar haar kans. Niet dat het haar iets kon schelen of Jacoba een mooie naam was voor een boot of voor welk ander object dan ook. Jacoba deed haar eerder denken aan haar verre voorouders, waarvan er toch minstens één Jacoba geheten zou kunnen hebben. Maar zeker wist ze dat niet. Wellicht eerder een oom die Jacob heette, dat had wel iets bekends, bedacht ze zich nu ze toch, bij gebrek aan repliek van haar echtgenoot op haar opmerking, er langer over nadacht. Oom Jacob, ja daar raakte ze steeds meer van overtuigd, die kende ze wel. Of was het Váder Jacob en had het schoolliedje dat zo mooi in kanon werd gezongen in haar jonge jaren haar op een dwaalspoor gebracht?
Ze waren inmiddels al bij de brug aangekomen en vandaar uit was het slechts een kleine oversteek naar het metrostation. Binnen 10 minuten zouden ze weer thuis zijn. Hij voor het raam met een kruiswoordpuzzeltje en zij verdiept in een streekroman.
Geplaatst door: |